Wij strikken Frank Boeijen voor een babbel in aanloop van nieuwe tournee (INTERVIEW)

Frank Boeijen is terug met nieuw werk en een frisse creatieve impuls. Eind maart verscheen zijn nieuwste album ‘Paradijs van het Grote Niets’, een poëtische en troostrijke plaat die tegelijk het startschot vormt van zijn theatertournee door Vlaanderen en Nederland. De eerste single Op Zoek Naar Jou vangt het universele verlangen naar verbondenheid en intimiteit — thema’s die ook de centraal staan in het album.

In dit gesprek praten we met Boeijen over de totstandkoming van zijn nieuwe muziek, de inspiratie achter de elf nummers op Paradijs Van Het Grote Niets en de bijzondere ervaring van zijn aanstaande theatertournee. Een gesprek over zoeken, vinden en de momenten van troost en schoonheid die muziek ons kan brengen.

Een albumtitel blijft altijd een heikel punt. Hoe plak je de juiste titel op zo’n collectie nieuwe nummers? Waarom koos je voor ‘Paradijs van het Grote Niets’? 
We zijn vier jaar met het album bezig geweest. Het titelnummer ontstond naar aanleiding van een gesprek met een vriend over wat er gebeurt na het leven. Hij geloofde erin, ik heb ook een katholieke achtergrond, maar vind het moeilijk om te geloven in een soort hiernamaals. Mijn moeder was nogal streng katholiek, dat was soms zwaar en ik hoorde mezelf vaak zeggen: “Als ik dood ben, ga ik naar het Grote Niets.” Mijn vriend vond het een opvallend nihilistische kijk, maar ik vond het mooi.

Het nummer begon dus daarover, maar werd uiteindelijk een soort beschrijving van wat er nu speelt. Het is niet de eerste keer dat ik dit soort thema’s aansnijd; ik heb het vaak meegemaakt, over de rol van Amerika in de wereld, Israël en al die grote kwesties. Zo kwam ik weer bij een soort hemel-en-hel-situatie. Het idee is ‘leef goed, wees medemenselijk, tolerant, behandel iedereen gelijk en doe niemand kwaad’. Eigenlijk de kern van de Tien Geboden. Het voelde zo belangrijk dat ik het moest vastleggen in een nummer.

De eerste single van het album heet Op zoek naar jou. Die gaat over verbondenheid, maar daar bestaan natuurlijk al heel wat nummers over. Waarom is dit een nummer dat er uitspringt op dat vlak?
Het plezier en de inspiratie in mooie dingen en vooral in muziek was even weg, maar gelukkig heb ik die na een zoektocht teruggevonden. Uiteindelijk heb ik dat gevoel verwerkt in de vorm van een liefdeslied. Daarin kun je dingen zo goed duidelijk maken. In zo’n nummer heb je meestal twee personen, in eerste instantie. Ze denken dat ze weten wat er speelt, maar wellich gaat het ook over iets anders: mijn diepe liefde voor muziek.

Het titelstuk valt op door zijn lengte: acht minuten. Het voelt bijna sacraal aan. Hoe kwam je tot die compositie?
Mijn grote voorbeeld is natuurlijk Bob Dylan. Neem Like a Rolling Stone, zijn nummer één hit uit 1965. Op dat moment vond ik het allemaal te lang; zes minuten leek eindeloos. Daarvoor had hij al Desolation Row gemaakt, een prachtig nummer en later kwam hij met de dubbel-LP ‘Blonde on Blonde’, wat destijds echt uniek was. Op die plaat stond een nummer dat twaalf minuten duurde, dat is altijd een soort streefdoel voor mij geweest: een lang nummer maken dat toch boeiend blijft. Het fascineert me steeds opnieuw hoe je zoiets kunt opbouwen, die lengte kunt vullen en het spannend kunt houden.

Je beschrijft het album als een soort van plek zonder haat en wraak. Hoe probeer je die sfeer dan muzikaal over te brengen? Is dat moeilijk?
Het Christendom heeft ons laten zien dat de mens tot vergeving in staat is; wraak mag niet. Dat is een belangrijk principe, want vroeger hing alles van wraak aan elkaar en bestond vergeving nauwelijks. Sinds het Christendom is vergeving weer teruggekeerd en dat heeft het leven voor iedereen een stuk makkelijker gemaakt.

Het nummer Stella Maris is een triptiek verdeeld over drie songs. Die vertellen een verhaal over vergankelijkheid en liefde. Waarom heb je ervoor gekozen om dit drieluik te maken?
Stella Maris gaat over mijn jeugdvriend Martin, die, kort na een optreden van ons, overleden is aan een koolmonixidevergiftiging.’ ‘Stella Maris’, dat is Maria, Sterre der Zee, een laat middeleeuws beeld in een kapel van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Maastricht. Toen Martin bewusteloos in het ziekenhuis lag en ik het soms niet meer uithield, ging ik daar af en toe een kaarsje opsteken. Ik kwam telkens terug. De periode dat hij in het ziekenhuis was met zijn familie en vrienden, blijft steeds terugkomen in mijn gedachten. Dat verwoordde ik in dat drieluik.

Je bent ondertussen 68. Is vergankelijkheid iets dat je ook intrigeert of laat je dat een beetje los dat getal?
Ik word in 2027 70 jaar, als alles goed verloopt. Ik merk dat verschillende mensen om me heen stilaan wegvallen. Je wordt er hoe dan ook mee geconfronteerd, de vraag is wat je daarmee doet. Als ik ergens mee zat, kwaad of verdrietig was, zei mijn vader altijd: ‘Jongen, schrijf er maar een liedje over’. Toen werd ik daar altijd heel kwaad om omdat ik het nergens op slaan vond. Pas toen ik ouder werd, begon ik de wijsheid in zijn woorden te zien. Uiteindelijk heb ik er dus een lied over geschreven.

 

Dit bericht op Instagram bekijken

 

Een bericht gedeeld door Doornroosje (@doornroosjenl)

Welke rol speelt poëzie in je leven momenteel?
Mijn grote voorbeelden zijn Bob Dylan, Leonard Cohen en Joni Mitchell. Zij hebben de poëzie echt binnen de rock-‘n-roll gesmokkeld en zijn altijd mijn inspiratie geweest. Zelf hou ik er ook enorm van om te spelen met taal. Ik ben een grote fan van Paul Van Ostaijen waar ik al op jonge leeftijd geïnteresseerd in was. Mijn vader was typograaf, een beroep dat niet meer bestaat. Daardoor groeide ik op met een enorme fascinatie voor letters en typografie; het is fantastisch en vaak ook heel avant-gardistisch. Er zijn natuurlijk zoveel andere dichters die me aanspreken: Jan Arends, Remco Campert, de Vijftigers met Hugo Claus en Lucebert. Ik ben altijd meer van poëzie en non-fictie geweest dan van fictie. Dat laatste vond ik vaak lastig. Mijn voorkeur gaat uit naar de korte, krachtige vorm: eenvoudige woorden die toch iets complex zeggen. Het is de kunst om met weinig woorden veel te zeggen, dat intrigeert me nog steeds.

Zien we dat ook in jouw teksten. Enkel de pure essentie zonder te veel poespas?
Mijn voorbeeld in de Nederlandstalige muziek was Bram Vermeulen. Ik heb daar vaak met hem over gesproken. Hij heeft een cabaretachtergrond, maar dat is een hele andere wereld dan waar ik vandaan kom. Ik ben van de straat: we speelden als bandje in cafés, overal en nergens. Bram en Freek daarentegen wilden vooral in het theater optreden. Vooral met Bram vond ik het prachtig hoe hij één of twee zorgvuldig gekozen woorden gebruikte om een hele wereld op te roepen. Daarom heb ik ook kinderboeken gekocht voor de allerkleinsten met korte, ritmische woorden. Het lied begint met: “Hij liep daar in de stad.” Op een of andere manier klinkt dat ritmischer dan om dat uitgebreid te vertellen. Nederlands is een stugge taal om liedjes in te maken, onze voorbeelden zijn meestal Engelstalig. Het leek me een mooie oplossing om woorden kort te houden, soms met een grap of een onverwacht, vreemd woord voor een komisch effect.

Het liefst werk ik in een soort telegramstijl: vroeger kon je maar een paar woorden gebruiken, want hoe langer je bericht, hoe meer je moest betalen. Je koos er dan ook voor om het kort te houden. Dat sprak me altijd aan: in korte, eenvoudige bewoordingen iets moeilijks, verdrietigs of groots vertellen. Het is ook leuk voor de luisteraar, want die moet zelf het verhaal aanvullen. Het mooiste is dat het lied van de luisteraar wordt. Wat ik vertel over mijn songs is hoe ik het beleef, maar het kan voor iemand anders iets totaal anders betekenen. Dat is extra belangrijk in het Nederlands omdat alles zo direct is. In het Frans of Engels zit altijd een soort mysterie waardoor niet alles volledig te volgen is. Ieder woord heeft een emotionele waarde, daar moet je je bewust van zijn. Daarom zing ik ook in het Nederlands, hoewel het lastig is in een band: de taal mag de muziek niet afleiden. Het moet nog steeds muziek blijven, geen theater of cabaret, maar rock-’n-roll. Daar heb ik mijn hele leven naar gezocht. Of ik dat ondertussen heb gevonden weet je natuurlijk nooit.

Mensen worden met ouder worden wel eens melancholisch of nostalgisch. Overvalt dat gevoel jou ook?
Ik was een vrolijk kind en had een vrije en gelukkige jeugd. We hadden weinig verkeer, altijd de vrijheid om buiten te spelen en ik genoot daarvan. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar een buitenwijk en ik ging naar een andere school. Ik kwam uit een volksbuurt waar iedereen elkaar kende en ’s avonds buiten zat, ineens zat ik in een kille nieuwbouwwijk. Dat was verschrikkelijk. Gelukkig had ik een vriend die me er een beetje doorheen sleepte, dat was Martin! Daar ontstond mijn melancholie, een moeilijke periode voor mij in de jaren zeventig. Alles veranderde in Nederland: de rol van vrouw en man, de hiërarchie, de politie, alles stond op losse schroeven. We hadden een linkse regering in Den Haag, socialisten en sociaaldemocraten aan de macht, maar tegelijkertijd speelde de oliecrisis van ’73, hetzelfde soort conflict dat we nu in het Midden-Oosten zien. Er was ook nog de Vietnamoorlog en de kwalijke rol van Amerika in onze ogen. Op veel manieren leek het toen heel erg op de tijd waarin we nu leven.

Wat zou je die jonge tiener die je ooit was meegeven als goede raad voor het leven?
Doe iets met je leven. Schrijf er een boek over, maak er een lied van, volg je passie. Het kan een bakkerij zijn, maar dan de beste van de stad. Het kan liefde zijn of wat dan ook. Het maakt niet uit. Het gaat erom dat je zelf tevreden bent met wat je maakt. Dan is het prachtig. Doe iets met je verdriet of met je blijdschap. Het maakt niet uit wat, als het maar uit je hart komt.

 

Dit bericht op Instagram bekijken

 

Een bericht gedeeld door Hedon (@hedonzwolle)

De muze heeft jou jarenlang geïnspireerd bij het schrijven van muziek en teksten. Komt die nog vaak langs of is het maken van nummers door de jaren heen moeilijker geworden?
Nu gaat het weer goed. De muze is eigenlijk een voorstelling van zaken. De Grieken hadden bedacht dat er negen muzen zijn die over poëzie, muziek en dergelijke gaan. Het is een soort hemel en hel, een beeldspraak om dingen uit te drukken. Een tijdlang had ik geen inspiratie meer. Muziek verveelde me, het verraste me nauwelijks nog. Ik hoorde niets nieuws, ik doorzag het geheim. Als muziek geen geheim meer heeft, ben je nergens. Het blijft een mysterie en ik heb geen idee waar dat vandaan komt. Misschien uit mijn jeugd. Toch blijven de melodieën komen, gewoon in mijn hoofd, zonder dat ik een gitaar hoef te pakken. Hetzelfde geldt voor de teksten. Ze komen tot mij en dan moet ik gaan selecteren. Bij dit album had ik een keuze uit 40 à 50 liedjes.

Die nummers ga je ook brengen in het theater, ook in Vlaanderen. Hoe vertaal je de gelaagdheid van je album naar een voorstelling?
In de eerste set voor de pauze spelen we het nieuwe album van begin tot eind in dezelfde volgorde. De tweede set bestaat uit ouder materiaal met veel bekende nummers. Eerst het nieuwe dus, dan het verhaal van vroeger. Het publiek vindt dat meestal erg leuk. Voor het tweede deel had ik veel te veel nummers, dus moest ik een goede selectie maken. Ik kies vooral songs die het waard zijn om te spelen en die we zelf graag doen. Het is veel repeteren, uitproberen en kijken hoe je de voorstellingen het beste kunt opbouwen. Zo ontstaat langzaam een balans tussen heden en verleden, tussen nieuw materiaal en de bekende klassiekers.

Hoe hou je nummers die je al honderden keren speelde fris voor jezelf?
Wat we in ieder geval zullen spelen is Zwart Wit. Dat nummer is nog altijd belachelijk actueel, misschien zelfs actueler dan in 1984 toen we het uitbrachten. Discriminatie blijft een belangrijk thema om aan te brengen. Het is ook een ode aan mijn stad, Nijmegen. Daarnaast zullen we “De Verzoening” zeker spelen, dat is belangrijk voor ons. Voor de rest kijken we gewoon wat we fijn vinden om te spelen en dat het publiek genoeg herkenningspunten heeft.

Hoe beleef je trouwens het optreden? Is dat iets dat je nog altijd met passie doet?
Ik heb een fantastische band waarvan ik telkens weer geniet. We kennen elkaar al heel lang. Ik sta er telkens van te kijken hoe zij muziek maken, dat enthousiasme werkt vanzelf op mij door. Elk optreden is anders, ook al speel je op dezelfde plek. Zalen als C-Mine in Genk, De Zwaneberg in Heist-op-den-Berg of Het Depot in Leuven. We komen er altijd met veel plezier.

Kan je ondertussen het Nederlandse en het Vlaamse publiek vergelijken? Of zijn dat appelen en peren naast elkaar zetten?
Weet je wat ik door de jaren heen heb gemerkt? Het gaat vooral om in welke streek je speelt. Of je nou in Belgisch Limburg staat of in Antwerpen, het is totaal anders. Dat geldt ook voor Nederland. Daar heb je ook enorme verschillen, dé Nederlander bestaat eigenlijk niet. Je hebt Brabant, Limburg, Groningen in het noorden, Noord-Holland met Amsterdam, Utrecht, Zeeland… allemaal heel verschillend. Hetzelfde geldt voor Vlaanderen. Limburg, Antwerpen, Brabant, de Kempen die er een beetje tussenin ligt, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Brussel. Elk gebied is totaal anders. Dus is het moeilijk om te zeggen wat het algemene verschil is tussen een Nederlands en een Belgisch publiek. Zelfs binnen Nederland of Vlaanderen verschilt het per provincie. West-Vlaanderen is totaal anders dan Antwerpen. Ik vind die verschillen heel interessant.

Nog één keer naar je nieuwe album. Als luisteraars één boodschap van deze plaat zouden moeten meenemen, wat hoop je dat het dan is?
Wees lief voor elkaar en leef mee met je medemens. Wees behulpzaam en heb begrip voor mensen. De ideetjes van een oude hippie in een pak. Toen zeiden we ook Vrede en liefde, “love and peace”. Dat is precies hetzelfde wat Jezus zei. Op zich is het een hele goede boodschap. Wat de kerk ermee heeft gedaan, is een ander verhaal, maar de kern is nog steeds hetzelfde: aardig zijn voor elkaar, elkaar helpen, begrip hebben. Wees niet oordelend en denk niet alleen aan je eigen belang. Heb oog voor elkaar en toon begrip. Dan wordt de wereld een stuk mooier en het leven makkelijker.

Het laatste deed me denken aan ‘Het ijs’, een van de nummers op ‘Wilde Bloemen’ waar je de vraag stelt ‘Was Jezus de eerste socialist?’
Ik heb dat nummer gemaakt met wijlen Henny Vrienten. Die is helaas ook al overleden. Zo gaat het maar door in mijn leven. Het is ook een mooi eerbetoon aan Henny. Het nummer gaat over de vraag wanneer je het ijs breekt tussen twee heteroseksuele mannen. Vaak pas met veel drank en drugs, dan eindelijk kun je echt een gesprek voeren, meestal pas diep in de nacht. Soms heb ik heimwee naar die tijd. Zie je wel dat ik nostalgisch ben?

 

Dit bericht op Instagram bekijken

 

Een bericht gedeeld door Frank Boeijen (@frankboeijenmusic)

Tekst en Interview STEVEN VERHAMME
Cover: Ger Adrichem via Frank Boeijen

Alle concerten vind je op www.frankboeijen.nl

You May Also Like

BMW Belux lanceert eigen podcast ‘The Road To Neue Klasse’

BMW Belux lanceert een eigen podcast vol Belgische BMW-verhalen. Van de in België geproduceerde ...

Dit zijn de vijf beste kerstfilms

Aldus de ratings van IMDB Het is kerstavond. Aangezien de kans ook dit jaar ...

Hosting door Fraai